ECLI:NL:CRVB:2006:AY3555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking WAO-besluit zonder dwaling
Appellant kreeg op 6 mei 2002 een WAO-uitkering toegekend door het UWV, met ingang van 10 juli 2000. Tijdens de beroepsprocedure trok het UWV dit besluit op 26 juni 2002 in, maar keerde later terug op deze intrekking. De rechtbank oordeelde dat de intrekking niet ongedaan kon worden gemaakt, tenzij sprake was van dwaling aan de zijde van het UWV. De rechtbank vond geen ondubbelzinnige dwaling en achtte de intrekking daarom geldig, mede vanwege proceseconomie.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV niet van de intrekking mocht terugkomen. De Raad bevestigde dat het UWV een aan zichzelf toe te rekenen fout had gemaakt, maar dat dit geen reden was om de intrekking ongedaan te maken. Hierdoor verloor appellant het belang bij de beroepsprocedure, die daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de intrekking als niet gedaan beschouwde en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de intrekking van het WAO-besluit rechtsgeldig was en geen sprake was van dwaling.