ECLI:NL:CRVB:2006:AY4879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering en terugvordering voorschot wegens onvoldoende motivering passendheid functies
Appellant, met Marokkaanse nationaliteit, werkte sinds 1966 in Nederland en vroeg een WAO-uitkering aan na ziekteperiodes. Het UWV weigerde de uitkering per 1995 vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 15%, gebaseerd op een arbeidskundig onderzoek waarbij passende functies werden geselecteerd. Appellant betwistte dit besluit, met name de motivering waarom de geselecteerde functies passend zouden zijn, en maakte bezwaar tegen de terugvordering van een voorschot.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid correct was vastgesteld. Echter, het arbeidskundig onderzoek was onvoldoende gemotiveerd omdat bijna alle functies beperkingen bevatten op punten waar appellant beperkt belastbaar was. Hierdoor kon het besluit niet standhouden en werd het vernietigd. Tevens werd de terugvordering van het voorschot daarmee onrechtmatig.
Verder stelde de Raad vast dat het UWV de redelijke termijn voor besluitvorming had overschreden, wat recht gaf op immateriële schadevergoeding. De Raad liet de hoogte van deze vergoeding over aan het UWV bij het nieuwe besluit. Tot slot werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering passendheid functies en het UWV moet een nieuw besluit nemen; appellant krijgt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.