ECLI:NL:CRVB:2006:AY4930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsrecht wegens niet-melding van vermogen en auto
Appellante ontving bijstand volgens de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden van fraude stelde de gemeente Rotterdam een onderzoek in waaruit bleek dat appellante beschikte over twee bankrekeningen met een positief saldo van €5.543,78 en een op haar naam geregistreerde auto ter waarde van €18.943,82. Deze vermogensbestanddelen werden niet gemeld aan het College.
Het College besloot daarop het recht op bijstand over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 december 2002 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand van €12.276,56 terug te vorderen. Appellante voerde aan dat de auto eigendom was van haar broer en dat zij niet wist dat zij het bezit van de auto moest melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het bezit van de auto en bankrekeningen het vermogen van appellante overschreed volgens artikel 54 Abw Pro. Zonder concreet tegenbewijs mag worden aangenomen dat een op naam gestelde auto tot het vermogen behoort. Appellante kon niet aantonen dat zij niet over de auto kon beschikken. Door het niet melden van deze vermogensbestanddelen schond zij haar inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 65 Abw Pro.
De Raad vond dat het College bevoegd was het recht op bijstand te herzien op grond van artikel 54 WWB Pro en dat de belangenafweging redelijk was. Ook was voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58 WWB Pro. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van het recht op bijstand en terugvordering van kosten wordt bevestigd.