ECLI:NL:CRVB:2006:AY6900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 februari 1998 bijstand als alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van Arnhem stelde op basis van onderzoek dat zij samenwoonde met haar echtgenoot [F.], waarna de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1998-2003.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College ten onrechte de bevoegdheidsgrondslag van de Algemene bijstandswet gebruikte in plaats van de Wet werk en bijstand. Daarnaast is onvoldoende vastgesteld dat appellante en [F.] gedurende de gehele periode een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad concludeert dat appellante en [F.] tot 14 september 1998 duurzaam gescheiden leefden en dat er onvoldoende bewijs is dat [F.] zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante vanaf 14 september 1998 tot 23 mei 2003. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan de schending van de inlichtingenplicht in de laatste periode.
De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af vanwege de noodzaak van nadere besluitvorming.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.