ECLI:NL:CRVB:2006:AY7045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en onderzoeksplicht bij opleggen maatregel WW
Betrokkene was sinds juni 2000 in dienst bij een werkgever, waarvan het dienstverband in augustus 2004 door de kantonrechter werd ontbonden. Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, die met terugwerkende kracht werd toegekend, maar waarbij een maatregel van 35% gedurende 26 weken werd opgelegd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank oordeelde dat het aandeel van betrokkene in de verstoorde arbeidsrelatie onvoldoende was om verwijtbaarheid aan te nemen en vernietigde het besluit.
In hoger beroep bestreed het Uitvoeringsinstituut dit oordeel en stelde dat het aandeel van de werkgever niet zo groot was dat verwijtbaarheid geheel ontbrak. De Centrale Raad stelde echter vast dat het Uitvoeringsinstituut geen eigen onderzoek had verricht en zich uitsluitend baseerde op de stukken van de ontbindingsprocedure, waarvan niet alle producties aan het Uitvoeringsinstituut waren verstrekt.
De Raad benadrukte dat op grond van de Awb een zorgvuldige feitenvaststelling vereist is, zeker bij het opleggen van maatregelen wegens verwijtbare werkloosheid. Het ontbreken van een volledig dossier en eigen onderzoek maakte dat het besluit onvoldoende was onderbouwd. Ook werd het oordeel van de kantonrechter over het re-integratietraject niet zonder meer overgenomen, omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij op advies van de bedrijfsarts handelde en de werkgever niet meewerkte.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het Uitvoeringsinstituut een nieuw besluit te nemen na een deugdelijk onderzoek. Tevens werd het Uitvoeringsinstituut veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit is vernietigd wegens onvoldoende onderzoek door het UWV en het UWV is opgedragen een nieuw besluit te nemen.