ECLI:NL:CRVB:2006:AY8382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Langdurigheidstoeslag geweigerd wegens arbeidsinkomen partner in buitenland
Betrokkene, geboren in 1950 en arbeidsongeschikt, ontving in 2004 een langdurigheidstoeslag volgens de WWB. Na een nieuwe aanvraag op 18 februari 2005 wees het College deze af omdat de partner van betrokkene in de referteperiode van 60 maanden voorafgaand aan 1 januari 2005 in Rusland arbeid had verricht en inkomen had ontvangen. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de partner niet aan de voorwaarden hoefde te voldoen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens de WWB gehuwden als één eenheid worden beoordeeld en dat het arbeidsmarktperspectief van beide partners relevant is. De Raad stelt vast dat de partner van betrokkene inderdaad arbeidsinkomen had in de referteperiode, waardoor niet aan de voorwaarden voor de toeslag is voldaan.
De Raad verwerpt het argument van betrokkene dat de regeling in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Een schadevergoeding wordt afgewezen en het College wordt niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de langdurigheidstoeslag wordt geweigerd wegens arbeidsinkomen van de partner in de referteperiode.