ECLI:NL:CRVB:2006:AY8809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5658 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 69 AbwArt. 78 AbwArt. 81 Abw
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding WAO-uitkering

Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de uitkering en besloot deze over de periode van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 in te trekken en de kosten van bijstand van € 38.544,32 terug te vorderen, omdat appellant een WAO-uitkering ontving die hoger was dan de bijstandsnorm zonder dit te melden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant de inlichtingenverplichting uit artikel 65 Abw Pro heeft geschonden door de WAO-uitkering te verzwijgen.

De Raad oordeelde dat het College op grond van artikel 69 Abw Pro verplicht was de bijstand in te trekken en op grond van artikel 81 Abw Pro de kosten terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien, aangezien de door appellant aangevoerde omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor onaanvaardbare sociale of financiële consequenties.

Daarmee faalt het hoger beroep en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens niet-melding van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5658 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2005, 05/496 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).
Datum uitspraak: 5 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J. van Dongen-Spaans, werkzaam bij Servicebureau Spado te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 22 augustus 2003 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.544,32 van appellant teruggevorderd. Dit besluit berust op de overweging dat appellant in genoemde periode, zonder daarvan aan het College melding te maken, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen die hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.
Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er, gelet op de gedingstukken, van uit dat appellant van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 een WAO-uitkering heeft ontvangen die de voor hem geldende bijstandsnorm overtrof.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, heeft verzwegen dat hij een WAO-uitkering ontving en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.
Het College was dan ook op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was de kosten van bijstand over genoemde periode van appellant terug te vorderen.
In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad merkt in dit verband op dat dringende redenen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De omstandigheden dat appellant, zoals hij stelt, in het kader van zijn (op 7 september 2001 opgeheven) faillissement problemen heeft gehad met zijn curator en zijn bijstandsuitkering heeft besteed aan de aanschaf van medicijnen, het volgen van therapieën alsmede aan het inrichten van zijn woning en het aanschaffen van lijfgoederen na zijn echtscheiding, kunnen niet als zodanige consequenties worden aangemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.W.H. Peeters.
TG06092006