ECLI:NL:CRVB:2006:AY8871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn door Sociale verzekeringsbank
Appellant, geboren in Suriname en genaturaliseerd tot Nederlander, vroeg een AOW-pensioen aan met terugwerkende kracht vanaf één jaar na vestiging in Nederland. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellant niet verzekerd was in de periode 1957-1985, toen hij in Suriname woonde, en hij pas vanaf mei 1998 aan de voorwaarden voldeed.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond wegens onvoldoende motivering van het besluit, maar wees het verzoek tot schadevergoeding af. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak kan maken op verzekering over de periode in Suriname, maar oordeelt dat de Svb de redelijke termijn voor besluitvorming heeft overschreden.
De Raad volgt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in dat bij overschrijding van de redelijke termijn sprake is van veronderstelde spanning en frustratie, tenzij het bestuursorgaan dit betwist. De Svb erkent de overschrijding maar betwist daadwerkelijke schade. De Raad kent daarom een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe en veroordeelt de Svb in de proceskosten.
Uitkomst: De Sociale verzekeringsbank is veroordeeld tot betaling van €1.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.