ECLI:NL:CRVB:2006:AY8951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens vermogen boven vermogensgrens
Appellanten vroegen op 16 mei 2001 bijstand aan, maar het College weigerde deze omdat zij vermogen boven de geldende vermogensgrens hadden. Een nieuwe aanvraag op 5 november 2002 leidde wel tot bijstand vanaf 1 november 2002. Het College wees het bezwaar tegen de afwijzing van de eerste aanvraag af, waarna appellanten beroep instelden bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het College terecht het vermogen niet heeft gesaldeerd met opgevoerde schulden, omdat appellanten het bestaan en de daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling van deze schulden niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt. De Raad bevestigt dat het vermogen gedurende de periode van 16 mei 2001 tot 1 november 2002 boven de vermogensgrens lag.
De Raad concludeert dat het College en de rechtbank de juiste wettelijke bepalingen toepasten en dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens vermogen boven de vermogensgrens wordt bevestigd.