ECLI:NL:CRVB:2006:AY8994

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1459 NABW, 05/1460 NABW, 06/3826 NABW, 06/3828 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Algemene bijstandswetArt. 68a Algemene bijstandswetArt. 5 Invoeringswet Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning bijstandsuitkering vanaf datum aanvraag en niet vanaf eerste melding bij CWI

Betrokkene 1 meldde zich op 26 mei 2003 bij het CWI om bijstand aan te vragen, maar de aanvraag kwam toen niet tot stand door handelen van een CWI-medewerker die betrokkene doorverwees naar het UWV voor een WW-uitkering. Na afwijzing van de WW-uitkering op 16 juni 2003, deed betrokkene pas op 5 november 2003 een daadwerkelijke aanvraag bij het CWI voor bijstand.

De rechtbank had het bezwaar van betrokkenen tegen het besluit van 17 juni 2004 gegrond verklaard en het College van B&W opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij bijstand werd toegekend vanaf de eerste melding bij het CWI. Het College ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004 de Algemene bijstandswet (Abw) heeft vervangen, maar dat overgangsrecht bepaalt welke wet van toepassing is afhankelijk van de datum waarop het recht op bijstand ontstaat. In dit geval is de Abw van toepassing.

Volgens artikel 68a Abw wordt bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht ontstaat, maar niet eerder dan de dag van melding bij het CWI, tenzij de belanghebbende de aanvraag niet spoedig indient en hem dat te verwijten valt. De Raad oordeelt dat betrokkene het niet tijdig indienen van de aanvraag na de afwijzing van de WW-uitkering in juni 2003 te verwijten is.

Daarom was het College bevoegd om de bijstand toe te kennen vanaf de datum van de daadwerkelijke aanvraag op 5 november 2003. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt het besluit van 4 maart 2005 vernietigd.

Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de datum van daadwerkelijke aanvraag en niet vanaf de eerste melding bij het CWI.

Uitspraak

05/1459 NABW, 05/1460 NABW, 06/3826 NABW, 06/3828 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 januari 2005, 04/1391 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden wonende te Sint Willebrord (hierna: betrokkenen),
en
appellant
Datum uitspraak: 26 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. [betrokkene 2] is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 16 april 2003 is het bedrijf [B.V.], waarvan [betrokkene 1] directeur-grootaandeelhouder was, in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 25 april 2003 heeft de curator de arbeidsovereenkomst met [betrokkene 1] opgezegd. [betrokkene 1] heeft zich op 26 mei 2003 voor het eerst tot het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) gewend, waar hem is medegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), maar mogelijk wel op bijstand. Toen [betrokkene 1] op 27 mei 2003 terugging naar het CWI om een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (hierna: Abw) aan te vragen, heeft een andere medewerker van het CWI de aanvraag om bijstand niet ingenomen, maar [betrokkene 1] toch doorverwezen naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) te Utrecht voor het indienen van een WW-aanvraag. Bij besluit van 16 juni 2003 is de aanvraag om een WW-uitkering afgewezen. Tegen dit besluit heeft [betrokkene 1] bezwaar gemaakt. In afwachting van een beslissing op dit bezwaar heeft [betrokkene 1] zich op 5 november 2003 opnieuw tot het CWI gewend teneinde een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht in te dienen.
Bij besluit van 31 maart 2004 heeft appellant aan betrokkenen bijstand ingevolge de Abw toegekend met ingang van
5 november 2003.
Bij besluit van 17 juni 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkenen tegen het besluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkenen tegen het besluit van 17 juni 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkenen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [betrokkene 1] zich reeds op 26 mei 2003 bij het CWI heeft gemeld om bijstand aan te vragen als bedoeld in artikel 68a, eerste lid, van de Abw. De omstandigheid dat toen niet een aanvraag tot stand is gekomen, valt [betrokkene 1] niet te verwijten maar is het gevolg van doen of nalaten van een CWI-medewerker.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 4 maart 2005 het bezwaar tegen het besluit van
31 maart 2004 gegrond verklaard, in zoverre dat aan betrokkenen alsnog met ingang van 26 mei 2003 een bijstandsuitkering is toegekend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. De hoofdregel is dat op besluiten genomen na 31 december 2003 de WWB van toepassing is, tenzij in specifieke bepalingen van overgangsrecht anders is bepaald.
De Raad stelt vast dat de wetgever ten aanzien van aanvragen om bijstand in artikel 5 van Pro de Invoeringswet Wet werk en bijstand (hierna: IWWB) een specifieke bepaling van overgangsrecht heeft gegeven. In dit artikel is bepaald dat, afhankelijk van de datum waarop het recht op bijstand ingaat, wordt beslist op grond van de bepalingen van de Abw of de WWB. In dit geval is bij primair besluit van 31 maart 2004 bijstand toegekend met ingang van 5 november 2003. De in dit geding aan de orde zijnde vraag of daarbij ook over de periode voorafgaand aan laatstgenoemde datum bijstand had moeten worden toegekend, dient daarom te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw. De Raad merkt nog op dat artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWWB hier niet aan de orde is.
Ingevolge artikel 68a, eerste lid, van de Abw wordt, indien door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
Ingevolge artikel 68a, derde lid, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 68a, eerste lid, van de Abw, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend, indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt.
Vaststaat dat [betrokkene 1] zich voor het eerst bij het CWI heeft gemeld op 26 mei 2003 en dat hij zich, na de ontvangst van de afwijzing van de WW-aanvraag bij besluit van 16 juni 2003, pas op 5 november 2003 opnieuw bij het CWI heeft gemeld, waarna op 10 november 2003 daadwerkelijk een aanvraag is ingediend.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het betrokkenen, gelet op de doorverwijzing door het CWI naar het Uwv, niet kan worden verweten dat in mei 2003 geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen. Het valt betrokkenen echter wel te verwijten dat niet kort na de ontvangst van de afwijzing van de WW-uitkering in juni 2003, maar pas in november 2003 alsnog bijstand is aangevraagd. Het enkele feit dat tegen de afwijzing van de WW-uitkering bezwaar was gemaakt, acht de Raad daarvoor geen gegronde reden.
Het College was dan ook bevoegd om de bijstand toe te kennen vanaf de dag waarop de aanvraag is ingediend, in plaats van met ingang van de datum waarop [betrokkene 1] zich (voor het eerst) bij het CWI had gemeld. Nu het College de bijstand heeft toegekend vanaf 5 november 2003, zijn betrokkenen aldus niet tekort gedaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak derhalve vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.
De Raad stelt vervolgens vast dat aan het besluit van 4 maart 2005 de grondslag, te weten de te vernietigen aangevallen uitspraak komt te ontvallen, zodat dit besluit voor - ambtshalve - vernietiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Vernietigt het besluit van 4 maart 2005.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S.W.H. Peeters.