ECLI:NL:CRVB:2006:AY8994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstandsuitkering vanaf datum aanvraag en niet vanaf eerste melding bij CWI
Betrokkene 1 meldde zich op 26 mei 2003 bij het CWI om bijstand aan te vragen, maar de aanvraag kwam toen niet tot stand door handelen van een CWI-medewerker die betrokkene doorverwees naar het UWV voor een WW-uitkering. Na afwijzing van de WW-uitkering op 16 juni 2003, deed betrokkene pas op 5 november 2003 een daadwerkelijke aanvraag bij het CWI voor bijstand.
De rechtbank had het bezwaar van betrokkenen tegen het besluit van 17 juni 2004 gegrond verklaard en het College van B&W opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij bijstand werd toegekend vanaf de eerste melding bij het CWI. Het College ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004 de Algemene bijstandswet (Abw) heeft vervangen, maar dat overgangsrecht bepaalt welke wet van toepassing is afhankelijk van de datum waarop het recht op bijstand ontstaat. In dit geval is de Abw van toepassing.
Volgens artikel 68a Abw wordt bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht ontstaat, maar niet eerder dan de dag van melding bij het CWI, tenzij de belanghebbende de aanvraag niet spoedig indient en hem dat te verwijten valt. De Raad oordeelt dat betrokkene het niet tijdig indienen van de aanvraag na de afwijzing van de WW-uitkering in juni 2003 te verwijten is.
Daarom was het College bevoegd om de bijstand toe te kennen vanaf de datum van de daadwerkelijke aanvraag op 5 november 2003. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt het besluit van 4 maart 2005 vernietigd.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de datum van daadwerkelijke aanvraag en niet vanaf de eerste melding bij het CWI.