ECLI:NL:CRVB:2006:AY9355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugbetaling bedrijfskapitaalleningen bij bijstand
Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvingen in 1998 een geldlening van het College voor bedrijfskapitaal. De lening werd verstrekt voor de eenmanszaak van haar echtgenoot, die eigendom was van hem op grond van huwelijkse voorwaarden. Appellante tekende een schuldbekentenis waarin zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de lening.
Na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten en echtscheiding werd de lening omgezet in een renteloze lening met terugbetalingsverplichtingen afhankelijk van het inkomen van de ex-echtgenoot en appellante. Het College vorderde terugbetaling van een deel van de lening van appellante wegens niet-nakoming van aflossingsverplichtingen.
Appellante voerde aan dat zij niet aansprakelijk was omdat zij niet van de lening had geprofiteerd en verwees naar het huwelijksgoederenregime en bepalingen in de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). De Raad oordeelde echter dat de hoofdelijke aansprakelijkheid rechtstreeks voortvloeit uit de Abw en dat de huwelijksvoorwaarden deze aansprakelijkheid niet doorbreken.
Ook het beroep op artikel 15 van Pro het Bbz faalde omdat dit artikel een uitbreiding van aansprakelijkheid regelt voor andere rechtsvormen dan eenmanszaken. Het verzoek om terugvordering achterwege te laten wegens de uitzichtloze financiële situatie van appellante werd eveneens verworpen. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor terugbetaling van de bedrijfskapitaalleningen.