ECLI:NL:CRVB:2006:AY9759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende sollicitatieactiviteiten en oplegging maatregel WW-uitkering
Betrokkene was sinds 1 april 2002 gedeeltelijk werkloos en ontving een WW-uitkering. In de periode van 3 maart tot 7 april 2003 werd vastgesteld dat hij onvoldoende sollicitatieactiviteiten had verricht. Appellant legde daarom een maatregel op in de vorm van een korting van 20% op de uitkering.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat betrokkene niet verwijtbaar had gehandeld omdat er onvoldoende vacatures waren en hij pogingen deed zijn aanstelling uit te breiden. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de sollicitatieverplichting niet was nagekomen en dat er wel passende arbeid beschikbaar was. De Raad stelde vast dat betrokkene niet minimaal één sollicitatieactiviteit per week had verricht en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen passende arbeid beschikbaar was.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat appellant zijn stelling moest onderbouwen en dat betrokkene niet verwijtbaar had gehandeld. De maatregel werd gematigd tot een korting van 10% wegens verminderde verwijtbaarheid, maar het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde de maatregel, waarbij geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de maatregel van 10% korting op de WW-uitkering gehandhaafd.