ECLI:NL:CRVB:2006:AY9960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing overneming vakantierechten wegens benadelingshandeling
Appellant was werkzaam als timmerman bij een aannemingsbedrijf en kreeg vanaf november 2001 te maken met achterstallige betalingen van vakantierechten door zijn werkgever. Ondanks mondelinge aanspraken en contante betalingen bleef de werkgever betalingsachterstanden houden, waarna FNV-Ledenservice namens appellant juridische stappen inzette. De werkgever werd failliet verklaard in maart 2004.
Appellant vroeg op 8 april 2004 overneming van de uit dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen van de werkgever aan, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit af wegens een benadelingshandeling door appellant, die onvoldoende tijdig en adequaat had opgetreden tegen de achterstanden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant redelijkerwijs had moeten zorgen voor regelmatige bijboeking van vakantierechten.
In hoger beroep stelde appellant dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd waarom de overneming geheel werd geweigerd en dat hij wel tijdig actie had ondernomen. De Raad oordeelde dat appellant inderdaad een benadelingshandeling had gepleegd, maar dat het Uwv onjuist had geoordeeld dat bij dagvaarding na zes maanden sprake is van berusting. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het Uwv opnieuw moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak vernietigd, en het Uwv wordt opgedragen opnieuw te beslissen.