ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melding inkomsten
Appellanten ontvingen sinds 10 juni 1999 bijstand op basis van de Algemene bijstandswet. Het College van B&W van Gouda trok bij besluit van 25 maart 2003 de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens niet-melding van inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep van appellant werd inhoudelijk behandeld. De Raad oordeelde dat appellant sinds begin 1999 aanzienlijke contante gelden beheerste die niet voldoende waren verantwoord als bestemd voor derden. De motivering van het College voor de intrekking was echter onvoldoende onderbouwd wat betreft de hoogte van het vermogen en de inkomsten gedurende de gehele periode. Daarom werd het besluit tot intrekking vernietigd.
Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en geen administratie had bijgehouden, waardoor het College niet kon vaststellen of appellant recht had op bijstand. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, het beroep van appellante niet-ontvankelijk. Het College werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep appellante niet-ontvankelijk; besluit intrekking bijstand appellant vernietigd maar rechtsgevolgen in stand gelaten.