ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding niet deugdelijk gemotiveerd
Appellant ontving sinds maart 2002 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het College beëindigde deze uitkering per 17 maart 2004 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn partner. Na een nieuwe aanvraag op 2 april 2004 wees het College de bijstand af, omdat geen relevante wijziging in omstandigheden was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit, waardoor dit in rechte onaantastbaar is. Desondanks is de Raad van oordeel dat de omstandigheden na de intrekking relevant zijn gewijzigd, omdat de partner op de datum van de nieuwe aanvraag niet langer haar hoofdverblijf had in het huis van appellant en zij geen gezamenlijke huishouding meer voerden.
Hoewel tijdens een huisbezoek nog babyspullen en dameskleding werden aangetroffen, blijkt uit medische en sociale gegevens dat de partner in het ziekenhuis verbleef en daarna bij haar moeder woonde. Het College heeft het besluit niet deugdelijk gemotiveerd, waardoor het besluit van 25 november 2004 wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het College dient een nieuw besluit te nemen.