ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0439

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6389 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d RvArt. 58 WWBArt. 60 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over hoogte maandelijkse aflossing bij schuld na beëindiging bijstandsuitkering

Appellant was maandelijks aflossingen aan het verrichten op een schuld bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, ontstaan door teveel betaalde bijstand. Na beëindiging van de bijstandsuitkering werd de beslagvrije voet en het aflossingsbedrag opnieuw vastgesteld. Het College stelde het aflossingsbedrag bij besluiten van 2 september 2004 en 30 maart 2005 vast op respectievelijk € 228,46 en € 189,94.

Appellant maakte bezwaar tegen deze bedragen en voerde aan dat het aflossingsbedrag te hoog was en betwistte tevens de hoogte van de schuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat alleen de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag aan de orde was en dat het College het bedrag had vastgesteld volgens een beleidsregel die binnen redelijke grenzen ligt. Deze regel houdt in dat het aflossingsbedrag wordt berekend als 10% van de bijstandsnorm plus 35% van het verschil tussen het netto inkomen en de bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag.

De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een gunstiger afbetalingsregeling voor appellant rechtvaardigden en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6389 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2005, 05/1573 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggemann, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant lost maandelijks af op een schuld bij het College wegens teveel betaalde bijstand. Nadat de bijstandsuitkering is beëindigd, is opnieuw de beslagvrije voet en het aflossingsbedrag berekend. Vervolgens heeft het College bij besluit van 2 september 2004 het maandelijks af te lossen bedrag met ingang van 1 september 2004 gesteld op € 228,46.
Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat het nieuwe maandelijkse aflossingsbedrag is gesteld op € 189,94.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is - kort weergegeven - aangevoerd dat het aflossingsbedrag te hoog is. Tevens heeft hij de hoogte van de schuld aangevochten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat in het onderhavige geding slechts de hoogte van het maandelijks af te lossen bedrag aan de orde is.
Uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met de artikelen 58 en 60 van Wet werk en bijstand volgt, dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv.
Het College hanteert de beleidsregel dat aflossingsbedragen bij personen, zoals appellant, die niet langer een bijstandsuitkering ontvangen en hogere inkomsten hebben dan de toepasselijke bijstandsnorm, worden vastgesteld op 10% van de norm plus 35% van het verschil tussen het netto inkomen (inclusief vakantietoeslag) en de netto bijstandsnorm plus gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag). Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 11 juli 2006, LJN AY4931), acht hij dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gelegen.
Vervolgens stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de berekening van het aflossingsbedrag overeenkomstig bovenvermelde beleidsregel heeft plaatsgevonden.
In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheid om anders te besluiten in de zin van een meer ten gunste van appellant te treffen afbetalingsregeling.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) S.W.H. Peeters.
BKH 130906