ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens onvoldoende inzicht in inkomsten en vermogen
Appellant en appellante, beiden wonende te Arnhem, ontvingen bijstandsuitkeringen die werden beëindigd vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding en niet opgegeven inkomsten uit escortactiviteiten. Na beëindiging dienden zij een nieuwe aanvraag in onder de Wet werk en bijstand (WWB), die door het College werd afgewezen wegens gebrek aan inzicht in inkomsten en vermogen.
De rechtbank vernietigde eerdere besluiten wegens een bevoegdheidsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. In hoger beroep betoogden appellanten dat dit onterecht was, maar de Raad oordeelde dat het College het besluit in mandaat had genomen en dat de bekrachtiging door een bevoegde directeur het bevoegdheidsgebrek had opgeheven.
De Raad overwoog dat appellanten onvoldoende bewijs hadden geleverd van hun inkomsten en vermogen, mede doordat zij geen administratie of boekhouding bijhielden. De overgelegde bankafschriften boden onvoldoende inzicht in de vermeende 'zwarte' inkomsten uit escortwerk. Het risico dat het bewijs niet kon worden geleverd, lag terecht bij appellanten.
Gelet op deze omstandigheden bevestigde de Raad de afwijzing van de bijstandsaanvraag en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende inzicht in inkomsten en vermogen.