ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking en afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 15 mei 2003 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok deze uitkering in op grond van de veronderstelling dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner [M.]. Dit werd gebaseerd op een onaangekondigd huisbezoek en een verklaring die appellante betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en vernietigde een besluit wegens ondeugdelijke motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellante volgens de rechtbank geen zelfstandig rechtspersoon was voor bijstand. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de intrekking niet deugdelijke grondslag heeft, mede omdat de verklaring onvoldoende zorgvuldig is vastgelegd en het bewijs onvoldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te tonen.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en de besluiten van het College, herroept de intrekking en afwijzing van de bijstandsuitkering, en veroordeelt het College in de proceskosten van appellante. Tevens wordt het griffierecht aan appellante vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en deugdelijke motivering bij het intrekken van bijstand en het toetsen van het begrip gezamenlijke huishouding, waarbij onvoldoende bewijs niet tot intrekking mag leiden.
Uitkomst: De intrekking en afwijzing van de bijstandsuitkering worden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.