ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet meer woonachtig in gemeente Arnhem
Appellant had bijstand ontvangen van de gemeente Arnhem, maar het College trok deze uitkering in per 1 oktober 2003 omdat appellant vanaf 15 september 2003 niet meer in Arnhem woonde. Het bezwaar tegen deze intrekking werd aanvankelijk onontvankelijk verklaard, maar de rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het bezwaar met toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB) moest worden behandeld.
De rechtbank vernietigde het besluit van 21 februari 2005 wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het recht op bijstand afhankelijk is van de woonplaats en dat op grond van concrete feiten en omstandigheden moest worden vastgesteld waar appellant woonde.
De Raad stelde vast dat appellant op een controleformulier had aangegeven per 15 september 2003 te zijn verhuisd naar Breda en dat hij daar ook een bijstandsaanvraag had ingediend. De stelling van appellant dat hij verkeerd was geïnformeerd door een consulent werd niet onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het oordeel dat appellant geen recht meer had op bijstand van de gemeente Arnhem en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstandsuitkering door de gemeente Arnhem wordt bevestigd.