ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- H.G. Rottier
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid na eerste jaarsherbeoordeling met behoud rechtsgevolgen
Appellant, die sinds augustus 1999 arbeidsongeschikt is verklaard, kreeg in 2000 een uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na de eerste jaarsherbeoordeling in 2003 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 35 tot 45%, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medische onderzoek en de vastgestelde belastbaarheid als zorgvuldig en juist beoordeelde.
In hoger beroep stelt appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. De Raad overweegt dat het gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in principe aanvaardbaar is, maar dat het besluit op bezwaar voorzien moet zijn van een voldoende motivering en toelichting. Het bestreden besluit voldoet hieraan niet, waardoor het wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro.
Desondanks laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat het UWV in beroep aanvullende arbeidskundige onderbouwing heeft geleverd waaruit blijkt dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen. De Raad wijst het verzoek tot nader geneeskundig onderzoek af en bevestigt dat de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% terecht zijn vastgesteld.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Hiermee wordt het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen gehandhaafd.
Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.