ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens ontoereikende medische grondslag
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1988, kreeg zijn WAO-uitkering per 15 augustus 2000 herzien naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot verhoging in 2001 volgde een medische beoordeling waarbij appellant als volledig arbeidsgeschikt werd beschouwd. Op 5 maart 2002 kreeg appellant een hartinfarct, waarna het UWV de WAO-uitkering per 23 juli 2002 introk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV bij de beoordeling van de toegenomen arbeidsongeschiktheid de medische beperkingen door het hartinfarct niet heeft betrokken, terwijl dit een andere oorzaak betreft dan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid. Hierdoor berust het intrekkingsbesluit op een ontoereikende medische grondslag en wordt het vernietigd. De weigering tot verhoging van de uitkering na vier en 52 weken wachttijd wordt bevestigd omdat de toename niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens ontoereikende medische grondslag; de weigering tot herziening wordt bevestigd.