ECLI:NL:CRVB:2006:AV2592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering bij toename arbeidsongeschiktheid en oorzakelijk verband
Appellant, geboren in 1957 en voormalig steigerbouwer, ontving sinds 1993 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herziening in 1994 werd de uitkering vastgesteld op 25-35%. In 2001 vroeg appellant herziening wegens vermeende toename van klachten, waaronder nek-, arm- en rugklachten. De verzekeringsarts concludeerde echter dat de medische situatie niet was verslechterd en de arbeidsdeskundige vond appellant geschikt voor functies met dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid.
Appellant voerde bezwaar aan met medische verklaringen over hernia's en andere klachten, maar de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige bevestigden dat de rugklachten niet onder de WAO-verzekering vielen en de mate van arbeidsongeschiktheid gelijk bleef. De rechtbank verwierp het beroep van appellant. In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven met aanvullende medische stukken.
De Raad overwoog dat volgens artikel 37 WAO Pro het risico van toename van arbeidsongeschiktheid door een andere oorzaak dan de oorspronkelijke niet verzekerd is, maar dat het relevante moment ligt bij de herziening naar minder dan 45% arbeidsongeschiktheid in 1994. De medische gegevens tonen aan dat de rugklachten toen al bestonden en dus niet als een nieuwe oorzaak kunnen worden gezien. De stelling van gedaagde dat de toename uit een andere oorzaak voortkomt is juridisch niet houdbaar. Daarom vernietigt de Raad het besluit en uitspraak en beveelt een nieuw besluit over de mate en datum van toename. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit en de uitspraak worden vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.