ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4664 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 38 ZWArt. 43d WAO
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging loondoorbetalingsverplichting wegens te late ziekmelding door werkgever

De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht over de ingangsdatum van een WAO-uitkering voor een werknemer. Het UWV had de WAO-uitkering toegekend met ingang van 20 januari 2003, maar de uitbetaling pas laten ingaan op 23 juli 2003 vanwege een te late ziekmelding door de werkgever. De werkgever stelde dat de ziekmelding tijdig was gedaan en dat het UWV stukken kwijt was geraakt. Daarnaast voerde zij aan dat zij eigen risicodrager was voor de Ziektewet en vertrouwde op informatie van het UWV dat meldingen binnen 8 maanden tijdig waren. Ook werd het proportionaliteitsbeginsel ingeroepen vanwege de financiële gevolgen.

De Raad oordeelde dat de werkgever de aangifte niet tijdig had verzonden, omdat deze niet aangetekend was verstuurd en geen ander bewijs van tijdige verzending was geleverd. De stelling dat andere stukken kwijt waren geraakt, was onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de werkgever alleen eigen risicodrager was voor de Ziektewet en niet voor de WAO, en de wettelijke termijn van 13 weken voor ziekmelding niet was nageleefd. De tekst op het formulier en de vermeende telefonische mededelingen van het UWV boden geen gerechtvaardigde verwachting dat de melding later kon plaatsvinden.

Ten slotte verwierp de Raad het beroep op het proportionaliteitsbeginsel, omdat artikel 43d van de WAO een dwingendrechtelijke bepaling is die een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting voorschrijft bij overschrijding van de meldingsplicht. Het UWV heeft geen discretionaire bevoegdheid om hiervan af te wijken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wegens te late ziekmelding door de werkgever.

Uitspraak

04/4664 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2004, 03/1881 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Overbosch, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006.
Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. B. van den Hoek. Tevens waren aanwezig A.J. Bungener en P.D. Bungener-Schaap. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het Uwv aan de [naam werknemer]n (hierna: de werknemer) met ingang van 20 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Daarbij is besloten de WAO-uitkering aan de werknemer eerst met ingang van 23 juli 2003 uit te betalen, omdat appellante van de op 21 januari 2002 aangevangen arbeidsongeschiktheid van de werknemer, te laat aangifte heeft gedaan.
Bij besluit van 3 juli 2003 heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante primair aangevoerd dat de ziekmelding tijdig is gedaan. In dit verband heeft appellante ook gesteld dat andere stukken bij het Uwv zijn kwijtgeraakt. Subsidiair, voor het geval de tijdige ontvangst van de melding niet komt vast te staan, wordt het standpunt ingenomen dat appellante er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat een melding binnen 8 maanden tijdig zou zijn, nu appellante eigen risicodrager is in de zin van de Ziektewet (ZW) en op het door het Uwv verstrekte formulier “Ziekteaangifte 13 weken” staat vermeld: “Voor eigen-risicodragers geldt aangifte na 8 maanden ziekte”. Voorts heeft appellante van medewerkers van het Uwv meerdere malen telefonisch te horen gekregen dat alle meldingen tijdig waren gedaan. Het alsnog besluiten tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting is dan ook strijdig met het vertrouwensbeginsel. Tot slot is gesteld dat de sanctie disproportioneel is en dat appellante financieel niet bij machte is om gedurende deze lange periode het loon door te betalen zonder dat daar arbeid tegenover staat.
Met betrekking tot de primair aangevoerde grief overweegt de Raad in navolging van de rechtbank als volgt. Vast staat dat appellante de aangifte van de op 21 januari 2002 ontstane arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet per aangetekend schrijven of met bericht van ontvangst heeft verzonden. Volgens vaste rechtspraak komt in een dergelijk geval het risico van niet kunnen aantonen dat een stuk daadwerkelijk op de gestelde dag is verzonden voor rekening van de afzender. Evenmin heeft appellante de verzending van de aangifte op een andere wijze aannemelijk gemaakt, zodat ook de Raad ervan uitgaat dat eerst op 23 oktober 2002 aangifte is gedaan. De stelling van appellante dat ook andere stukken die zij naar het Uwv heeft verzonden niet zijn ontvangen, is onvoldoende onderbouwd, zodat de Raad daaraan niet de door appellante gewenste conclusie kan verbinden. De primaire grief slaagt dus niet.
Het (subsidiaire) beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Vaststaat dat appellante slechts voor de ZW eigen-risicodrager is, maar niet voor de WAO. Appellante diende dus op grond van artikel 38, eerste lid, van de ZW, uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd, aangifte van die arbeidsongeschiktheid bij het Uwv te doen. Aan deze uit de ZW voortvloeiende verplichting heeft appellante niet voldaan. De Raad ziet niet dat appellante aan de op het formulier vermelde tekst “Voor eigen-risicodragers geldt aangifte na 8 maanden ziekte” de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat zij niet binnen de termijn van 13 weken aangifte van de arbeidsongeschiktheid van haar werknemer hoefde te doen. Ook voor appellante geldt dat zij wordt geacht de wet te kennen. Ingeval van mogelijke onduidelijkheid of twijfel op dit punt had het op de weg van appellante gelegen met het uitvoeringsorgaan contact op te nemen teneinde helderheid te verkrijgen of eventuele twijfel weg te laten nemen.
Voorts overweegt de Raad dat appellante ook haar stelling dat door verschillende medewerkers van het Uwv telefonische mededelingen zouden zijn gedaan dat de melding van de arbeidsongeschiktheid tijdig was gedaan en dat geen toepassing aan artikel 43d van de WAO zou worden gegeven op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.
De Raad is tot slot van oordeel dat de namens appellante naar voren gebrachte grief dat het Uwv met het onderhavige besluit in strijd heeft gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie zijn uitspraak van 29 april 2003, LJN:AF8586, RSV 2003, 167) dient niet uit het oog te worden verloren dat het bij artikel 43d van de WAO gaat om een dwingendrechtelijke bepaling, waarbij de belangenafweging, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van dat artikel, geacht moet worden reeds door de wetgever te zijn verricht. De wetgever heeft immers aan een geval als dit, waarin is komen vast te staan dat – en in welke mate – de in artikel 38, eerste lid, van de ZW vervatte termijn voor melding van arbeidsongeschiktheid is overschreden het wettelijk gevolg van een met de duur van de vertraging verlengde loondoorbetalingsverplichting van de werkgever verbonden. Het Uwv heeft daarom niet de bevoegdheid om op grond van de in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziene afweging van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen, af te zien van toepassing van artikel 43d van de WAO, dan wel te komen tot een van de duidelijke tekst afwijkende beslissing. Ook deze grief treft derhalve geen doel.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb ziet de Raad geen termen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MH