ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken duidelijke samenhang tussen ontslag en faillissement werkgever
Betrokkene was in dienst bij een werkgever die in maart 2004 failliet werd verklaard. Betrokkene had in februari 2003 ontslag genomen en daarna nog enkele deelbetalingen ontvangen. Hij diende op 21 oktober 2004 een aanvraag in voor een WW-uitkering, die werd afgewezen omdat deze meer dan 26 weken na het faillissement was ingediend en geen recht op uitkering bestond volgens artikel 62 van Pro de WW.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard omdat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de samenhang tussen het ontslag en het faillissement. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat er geen duidelijke samenhang is, mede omdat het ontslag ruim een jaar voor het faillissement plaatsvond en betrokkene zelf aangaf niet te zijn vertrokken vanwege een naderend faillissement.
Daarnaast stelde de Raad vast dat betrokkene niet tijdig en voortvarend genoeg actie had ondernomen om zijn loonvordering te incasseren, wat vereist is volgens artikel 62, lid b, van de WW. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de afwijzing van de WW-uitkering standhoudt.
Uitkomst: De aanvraag voor een WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van duidelijke samenhang tussen ontslag en faillissement en onvoldoende voortvarendheid in het incasseren van loon.