ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met terugwerkende kracht ondanks beroep op rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel
Appellant, voormalig groepsleerkracht en later bedrijfsjurist, ontving een WAO-uitkering die met terugwerkende kracht werd toegekend en later herzien vanwege feitelijke verdiensten. Het UWV herzag de uitkering met ingang van 1 december 1999 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, wat appellant aanvocht met een beroep op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad overwoog dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of te hoog was toegekend, gezien zijn inkomsten als bedrijfsjurist. Hoewel appellant stelde dat het UWV hem schriftelijk en telefonisch had bevestigd dat de nabetaling correct en definitief was, vond de Raad geen sprake van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en bevoegdelijke toezeggingen die het vertrouwen konden rechtvaardigen.
De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak dat herziening met terugwerkende kracht is toegestaan. Tevens oordeelde de Raad dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel in dit geval niet aan de herziening in de weg staan. De Raad sprak zich niet uit over terugvordering en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht en wijst het beroep van appellant af.