ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7170

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6862 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet-toepassing verkorte wachttijd

De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad over de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer. De werknemer had zich ziek gemeld op 5 november 2001 en op 6 januari 2003, met dezelfde klachten. Het UWV had aanvankelijk een WAO-uitkering geweigerd per 4 november 2002 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, waarna later verschillende besluiten volgden met wisselende percentages arbeidsongeschiktheid.

De werkgever maakte bezwaar tegen de vaststelling van de eerste ziektedag en de toepassing van de verkorte wachttijd van 4 weken zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de werknemer aan het einde van de wachttijd geschikt was voor zijn werk, waardoor de verkorte wachttijd niet van toepassing was.

In hoger beroep werd aangevoerd dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld en dat het vertrouwensbeginsel in het geding was vanwege een brief van een arbeidsdeskundige. De Raad oordeelde echter dat het besluit over de eerste ziektedag rechtens onaantastbaar was en dat de verkorte wachttijd niet van toepassing was. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat de brief niet afkomstig was van een bevoegde functionaris.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en de geldigheid van de eerste ziektedag op 5 november 2001.

Uitspraak

04/6862 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 november 2004, 04/207 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)
en
[werknemer], hierna werknemer.
Datum uitspraak: 19 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante (hierna: de werkgever) heeft mr. R. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Werknemer heeft desgevraagd kenbaar gemaakt als partij aan de procedure deel te willen nemen. Voorts heeft hij aangegeven geen toestemming te verlenen om zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Appellante is, na berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.M.H. Rokebrand. [Werknemer] is in persoon verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Aan de werknemer is, naar aanleiding van zijn ziekmelding per 5 november 2001, bij primair besluit van 4 november 2002 een WAO-uitkering geweigerd in aansluiting op de voor hem geldende wachttijd van 52 weken met ingang van 4 november 2002, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt.
Op 6 januari 2003 vindt opnieuw een ziekmelding van de werknemer plaats, met dezelfde klachten als bij de ziekmelding per 5 november 2001. Hierop volgen 3 primaire besluiten van het Uwv. Bij besluit van 18 september 2003 heeft het Uwv aan de werknemer een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend met ingang van 3 februari 2003. Bij besluit van 19 september 2003 is de WAO-uitkering vervolgens herzien per 1 september 2003 en is de mate van arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld op 45 tot 55%. Bij besluit van 22 september 2003 tenslotte is de mate van arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld op 25 tot 35% per 30 oktober 2003.
Bij besluit op bezwaar van 14 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv op de bezwaarschriften, ingediend door appellante en door de werknemer, beslist door de bovengenoemde 3 primaire besluiten in te trekken en vast te stellen dat er geen sprake is van een situatie waarop artikel 43a van de WAO ziet (verkorte wachttijd van 4 weken), en dat de werknemer pas na ommekomst van een wachttijd van 52 weken na 6 januari 2003 in aanmerking kan komen voor een WAO-uitkering.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat (kort samengevat), nu de werknemer aan het einde van de wachttijd geschikt was bevonden voor het eigen werk, de verkorte wachttijd van 4 weken, als bedoeld in artikel 43a van de WAO, niet van toepassing is.
In hoger beroep is aangevoerd door appellante dat ten onrechte wordt uitgegaan van 5 november 2001 als eerste ziektedag. Voorts is aangevoerd dat door de rechtbank het doel en de strekking van artikel 43a zijn miskend. Appellante beroept zich tenslotte op het vertrouwensbeginsel door te wijzen op de brief van arbeidsdeskundige S.J.M. van Lier van 1 november 2002, waarin zij wordt geïnformeerd over de weigering van een WAO-uitkering aan de werknemer per 4 november 2002. In deze brief staat dat de werknemer per 4 november 2002 weer volledig in staat wordt geacht zijn eigen werk te verrichten en dat, mocht de werknemer na 4 weken toch weer volledig uitvallen met dezelfde klachten, er dan voor de WAO een wachttijd van 4 weken geldt.
De Raad stelt voorop dat het besluit van 4 november 2002 rechtens onaantastbaar is geworden omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt. Nu bij dit besluit de eerste ziektedag is vastgesteld op 5 november 2001 staat hiermee de eerste ziektedag in rechte vast. De grief van appellante in hoger beroep betreffende de eerste ziektedag kan dan ook niet slagen.
Wat betreft de ratio van artikel 43a van de WAO verwijst de Raad naar zijn jurisprudentie terzake, zoals neergelegd in onder andere de uitspraak van 28 februari 2006, LJN AV 3353, 03/4089 WAO. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de verkorte wachttijd van 4 weken na de ziekmelding per 6 januari 2003 niet van toepassing is, aangezien de werknemer in aansluiting op de ziekteperiode vanaf 5 november 2001, na ommekomst van de wachttijd, per 4 november 2002 geschikt was voor zijn eigen werk.
Voorts is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt aangezien de brief van 1 november 2002 niet afkomstig is van een functionaris die in strijd met dwingende wettelijke voorschriften rechtens relevante toezeggingen kan doen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenvergoeding acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) M. Gunter.
SSw