ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet-toepassing verkorte wachttijd
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad over de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer. De werknemer had zich ziek gemeld op 5 november 2001 en op 6 januari 2003, met dezelfde klachten. Het UWV had aanvankelijk een WAO-uitkering geweigerd per 4 november 2002 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, waarna later verschillende besluiten volgden met wisselende percentages arbeidsongeschiktheid.
De werkgever maakte bezwaar tegen de vaststelling van de eerste ziektedag en de toepassing van de verkorte wachttijd van 4 weken zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de werknemer aan het einde van de wachttijd geschikt was voor zijn werk, waardoor de verkorte wachttijd niet van toepassing was.
In hoger beroep werd aangevoerd dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld en dat het vertrouwensbeginsel in het geding was vanwege een brief van een arbeidsdeskundige. De Raad oordeelde echter dat het besluit over de eerste ziektedag rechtens onaantastbaar was en dat de verkorte wachttijd niet van toepassing was. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat de brief niet afkomstig was van een bevoegde functionaris.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en de geldigheid van de eerste ziektedag op 5 november 2001.