ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en anti-cumulatie
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de WAZ-uitkering over 2001 terug te vorderen op grond van inkomsten uit arbeid en de toepassing van de anti-cumulatieregeling. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het UWV nam daarop een nieuw besluit waarbij de uitkering werd aangepast naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid en de terugvordering werd verlaagd.
In hoger beroep werden dezelfde grieven herhaald, waaronder het bezwaar tegen herhaalde toepassing van de anti-cumulatieregeling na eerdere reële schatting, het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de stelling dat het toegerekende winstaandeel onvoldoende gerelateerd was aan de arbeid van appellant. De Raad oordeelde dat het hoger beroep mede gericht moest worden tegen het nieuwe besluit en dat appellant geen belang meer had bij vernietiging van de eerdere uitspraak.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat het UWV terecht de anti-cumulatieregeling toepaste en dat de situatie van appellant niet gelijk is aan die van een werknemer in loondienst, zodat geen strijd met het gelijkheidsbeginsel bestaat. Ook was geen sprake van een uitzonderingssituatie zoals in eerdere jurisprudentie. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 7 mei 2004 wordt ongegrond verklaard.