ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering door het UWV. De rechtbank had het bezwaar tegen de begeleidende brief van het terugvorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar prematuur was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de brief van 20 september 2001 geen besluit is in de zin van de Awb omdat deze niet gericht was op een rechtsgevolg, maar slechts informeerde over het voornemen tot terugvordering.
De Raad stelt dat regels over de ontvankelijkheid van bezwaar van openbare orde zijn en dat de rechter ambtshalve moet toetsen of een bezwaar prematuur is. Hoewel appellant stelde dat het UWV onzorgvuldig handelde en dat het bezwaar pas later ontvankelijk werd verklaard, oordeelt de Raad dat het UWV voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de rechtsmiddelen en dat er geen sprake is van een onoverzichtelijke situatie.
De Raad wijst ook op eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat een prematuur bezwaar niet ontvankelijk is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Alkmaar wordt bevestigd. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering van de WAO-uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuriteit.