ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en werd vanaf 2004 op grond van de WWB bijstand toegekend. Na een anonieme tip startte de gemeente Roosendaal een onderzoek naar mogelijke samenwoning met haar ex-echtgenoot, wat leidde tot intrekkings- en terugvorderingsbesluiten over de periode 1998-2004.
De rechtbank had deze besluiten grotendeels bevestigd, stellende dat appellante niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden aangemerkt vanwege samenwoning. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond voor een gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat het College niet aannemelijk had gemaakt dat de ex-echtgenoot zijn hoofdverblijf bij appellante had, mede omdat hij op andere adressen stond ingeschreven en de observaties onvoldoende waren. Wel werd geconstateerd dat appellante vanaf 25 mei 2004 niet meewerkte aan een huisbezoek, waardoor de bijstand vanaf die datum terecht werd ingetrokken.
De Raad vernietigde de besluiten over de periode 1998 tot 30 april 2004 en herroept het besluit tot terugvordering van kosten. De intrekking vanaf 25 mei 2004 en de afwijzing van een nieuwe aanvraag werden in stand gelaten. Tevens werd appellante een vergoeding van wettelijke rente toegekend en het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over 1998-2004 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding, met uitzondering van de intrekking vanaf 25 mei 2004 en afwijzing van een nieuwe aanvraag.