ECLI:NL:CRVB:2007:BA0558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische objectivering van arbeidsongeschiktheid
Betrokkene, werkzaam als hoofd activiteiten begeleiding, viel uit wegens zware griep en aanhoudende vermoeidheidsklachten. Na gedeeltelijke hervatting van haar werkzaamheden werd haar WAO-uitkering toegekend en later ingetrokken op grond van medische beoordelingen die geen objectiveerbare beperkingen vaststelden.
Betrokkene maakte bezwaar en voerde aan dat zij lijdt aan myalgische encephalomyelitis (M.E.) en dat de medische beoordeling onjuist was toegepast, met verwijzing naar de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering en achtte de verklaring van de werkgever die 16 uur werken als maximaal haalbaar beschouwde, zwaarwegend.
In hoger beroep betwistte appellant deze motivering en stelde dat de medische beoordelingen juist waren en dat de verklaring van de werkgever niet objectief medisch onderbouwd was. De Raad concludeerde dat er geen eenduidige medische consensus bestaat dat betrokkene niet meer dan 16 uur per week kan werken en dat de medische deskundigheid van de verzekeringsartsen doorslaggevend is.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de intrekking van haar WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.