ECLI:NL:CRVB:2007:BA1292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam sinds 1998. Na melding van een banksaldo van ruim €18.000 op haar rekening onderzocht het College haar financiële situatie en besloot de bijstand over een eerdere periode in te trekken en terug te vorderen wegens overschrijding van de vermogensgrens.
Appellante stelde dat het tegoed toebehoorde aan haar neef, die het geld beheerde namens de nalatenschap van hun vader, maar kon dit niet met voldoende bewijs onderbouwen. De Raad achtte de verklaringen van de neef niet geloofwaardig en concludeerde dat appellante feitelijk over het vermogen beschikte.
Verder werd de bijstand opgeschort en beëindigd omdat appellante geen opheldering gaf over een contante opname van €20.000. De Raad oordeelde dat het College terecht tot intrekking en terugvordering heeft besloten en dat het gemeentelijke beleid omtrent intrekking en terugvordering binnen redelijke beleidsgrenzen blijft. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellante worden bevestigd wegens overschrijding van de vermogensgrens en schending van de inlichtingenplicht.