ECLI:NL:CRVB:2008:BC2389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuist woonadres
Appellant ontving vanaf december 2000 bijstand als alleenstaande. Het College beëindigde de bijstand per 1 april 2004 na een onderzoek naar een tip dat appellant werkzaamheden verrichtte en niet op het opgegeven adres woonde. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf december 2003 niet meer op het opgegeven adres woonde en dit niet had gemeld. Voor de periode 2000-2003 was de woning praktisch onbewoonbaar en werd deze niet feitelijk bewoond door appellant.
Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten van bijstand terug, wat door de rechtbank aanvankelijk werd vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen in stand werden gelaten. In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door onjuiste woonadresgegevens te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen conform de WWB en het beleid van het College. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot afzien van intrekking of terugvordering leidden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens onjuist opgegeven woonadres wordt bevestigd.