ECLI:NL:CRVB:2007:BA5166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens en afwijzing bijzondere bijstand
Appellante kreeg haar bijstandsuitkering ingetrokken per 1 september 2004 omdat zij beschikte over een vermogen boven de toegestane grens. Zij stelde dat het tegoed op haar bankrekening toebehoorde aan haar overleden neef, maar kon dit niet voldoende bewijzen. Het College weigerde bijzondere bijstand voor huishoudelijke hulp, pedicure en tandartskosten en een langdurigheidstoeslag wegens vermeende overschrijding van de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraken en de besluiten van het College wegens onvoldoende motivering en bewijs. De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand introk per 1 september 2004 vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht en dat de aanvraag voor bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag terecht werd afgewezen.
De Raad legde de bewijslast bij appellante, die niet kon aantonen dat het opgenomen bedrag niet tot haar vermogen behoorde. De verklaringen van derden en bankafschriften boden onvoldoende inzicht in de herkomst en besteding van het geld. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 september 2004 wordt bevestigd en de besluiten tot afwijzing van bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag worden vernietigd wegens onvoldoende motivering.