ECLI:NL:CRVB:2007:BA2357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvullende vergoeding hoortoestel op grond van Wet Rea en Zfw
Betrokkene, doof aan het rechteroor en met een gehoorverlies van 48 dB aan het linkeroor, diende een aanvraag in voor een aanvullende vergoeding van een digitaal hoortoestel op grond van de Wet Rea. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij meende niet bevoegd te zijn tot aanvullende vergoeding wanneer reeds een vergoeding op grond van de Zfw bestond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV bevoegd is om een aanvullende vergoeding toe te kennen voor hoortoestellen die vrijwel uitsluitend voor de werksituatie zijn geïndiceerd. De Raad oordeelde dat de Zfw geen voorliggende voorziening is die de bevoegdheid van het UWV uitsluit, omdat de Zfw niet voorziet in vergoeding van hoortoestellen die voldoen aan de specifieke eisen van de werksituatie.
De Raad wees het standpunt van het UWV af dat een hoortoestel dat ook buiten het werk gebruikt kan worden, niet aanvullend vergoed kan worden. Tevens werd het beleid van het UWV dat alleen bij gehoorverlies onder de 35 dB aanvullende vergoeding mogelijk is, verworpen. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en beval een nieuw besluit op bezwaar te nemen conform deze uitspraak.
Uitkomst: Het UWV is bevoegd een aanvullende vergoeding voor een hoortoestel te verstrekken indien het toestel vrijwel uitsluitend voor de werksituatie is bedoeld, en dient een nieuw besluit te nemen conform deze uitspraak.