ECLI:NL:CRVB:2007:BA2874

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1750 WWB + 06-1751 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, WWBArt. 11, eerste lid, WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenplicht bij drugshandel

Appellanten dienden op 10 december 2004 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo wees deze aanvraag op 22 februari 2005 af, een besluit dat in bezwaar op 14 juni 2005 werd gehandhaafd. De afwijzing was gebaseerd op een onderzoek van de politieregio Limburg Noord waaruit bleek dat appellant betrokken was bij drugshandel en aanzienlijke inkomsten had verkregen.

Appellanten ontkenden deze betrokkenheid en verstrekten geen objectieve en verifieerbare gegevens over het inkomen en vermogen dat uit die handel was verkregen, waardoor zij de op hen rustende inlichtingenverplichting schonden. De rechtbank Roermond verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij zij zich baseerde op onderzoeksbevindingen zoals afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van betrokkenen.

In hoger beroep voerden appellanten geen nieuwe argumenten aan die tot een ander oordeel konden leiden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht was afgewezen op grond van artikel 17, eerste lid, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht door het niet verstrekken van verifieerbare gegevens over drugshandelinkomsten.

Uitspraak

06/1750 WWB
06/1751 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant) en [appellante], (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 februari 2006, 05/1025 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. S. Smeets, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Smeets. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten hebben zich op 10 december 2004 gemeld voor het indienen van een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bij besluit van 22 februari 2005, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2005, heeft het College deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt, voor zover thans nog van belang, het standpunt ten grondslag dat uit een door de politieregio Limburg Noord ingesteld onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat appellant - onder meer - betrokken is geweest bij de handel in drugs en daarmee aanzienlijke hoeveelheden geld moet hebben verdiend. Door de betrokkenheid van appellant bij drugshandel slechts te ontkennen en geen objectieve en verifieerbare gegevens te verstrekken omtrent het daaruit verkregen inkomen en vermogen hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 21 april 2005, 05/348, het beroep tegen het besluit van 14 juni 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens is verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke rente).
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In de hiervoor genoemde uitspraak van 21 april 2005 is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan het College mee te delen hoeveel geld hij heeft verdiend met de handel in drugs en in hoeverre op dit vermogen eventueel zou zijn ingeteerd op het moment van de aanvraag om bijstand. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken het resultaat van de onderzoeksbevindingen, in het bijzonder hetgeen uit de afgeluisterde telefoongesprekken, de verklaring van J. Netten en een viertal verklaringen van bij de handel in drugs vermoedelijk betrokken personen, naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank, gezien de onderzoeksbevindingen, die conclusie van de voorzieningenrechter terecht gevolgd. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak op dit punt, eveneens terecht geoordeeld dat er in deze bestuursrechtelijke procedure geen reden is om de afloop van de strafzaak af te wachten. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van appellanten, gelet op artikel 17, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB, terecht is afgewezen.
Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel gebracht.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.C. Palmboom.
RB2903