ECLI:NL:CRVB:2007:BA3061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij ophoging WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid
Appellante ontvangt sinds 1978 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2003 verzocht zij om ophoging van haar uitkering op grond van hulpbehoevendheid volgens artikel 22 van Pro de WAO, met ingang van een arbitrair bepaalde datum in 1995 na een auto-ongeval.
Het UWV verhoogde de uitkering met ingang van 2 januari 2002, een jaar voor de aanvraag, maar wees eerdere terugwerkende kracht af. Appellante stelde dat zij eerder recht had op ophoging, omdat zij niet tijdig was geïnformeerd en niet in staat was zelf een aanvraag te doen, mede door haar psychische klachten en die van haar echtgenoot.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat onbekendheid met de regeling geen bijzonder geval is dat terugwerkende kracht rechtvaardigt. Ook was onvoldoende medisch bewijs dat appellante of haar echtgenoot niet eerder een aanvraag konden indienen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het beroep af.
Uitkomst: De ophoging van de WAO-uitkering wordt niet met terugwerkende kracht toegekend, het beroep wordt ongegrond verklaard.