ECLI:NL:CRVB:2007:BA3578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door ongeoorloofde afwezigheid
Appellant was sinds 1991 werkzaam bij zijn werkgever en was in januari 2005 gedurende vijf dagen ongeoorloofd afwezig op het werk. De werkgever startte daarop een ontbindingsprocedure en de arbeidsovereenkomst werd op 14 maart 2005 ontbonden wegens dringende redenen. Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de ongeoorloofde afwezigheid voldoende vaststond en dat appellant redelijkerwijs had kunnen voorzien dat dit tot ontslag zou leiden. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV een uitgebreider onderzoek had moeten doen en niet alleen op de ontbindingsprocedure mocht steunen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de feiten uit de ontbindingsprocedure heeft overgenomen, omdat alle benodigde feiten daaruit genoegzaam blijken en appellant geen tegenbewijs heeft geleverd. De Raad bevestigde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat de WW-uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door ongeoorloofde afwezigheid.