ECLI:NL:CRVB:2008:BD1178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks onvoldoende onderzoek UWV
Appellant was sinds 1979 voor 50% in dienst bij een stichting als kunstenaar. Na een verstoorde arbeidsrelatie, die grotendeels aan appellant werd toegerekend, werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding. Het UWV weigerde vervolgens een WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Zowel appellant als de stichting maakten bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onterecht bevoegd was en dat hij niet verwijtbaar werkloos was geworden. De Raad stelde vast dat het UWV wel bevoegd was, maar dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan omdat het niet beschikte over alle relevante stukken, zoals de correspondentie tussen appellant en de werkgever. Hierdoor was de onderzoeksplicht van het UWV niet nagekomen.
Desondanks oordeelde de Raad dat op basis van alle beschikbare gegevens vaststond dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden vanwege zijn gedrag en houding, die leidde tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Raad vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van de weigering van de WW-uitkering in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek, maar de rechtsgevolgen van de weigering blijven in stand.