ECLI:NL:CRVB:2007:BA6539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3217 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WWBArt. 10 Boek 1 BWArt. 11 Boek 1 BWArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens woonplaatsgeschil niet deugdelijk gemotiveerd

Appellant ontving sinds februari 2001 bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Alkmaar. Het College trok bij besluit van 3 maart 2004 de bijstand met ingang van 1 januari 2004 in, vanwege het vermoeden dat appellant zijn woonplaats had verplaatst naar Amsterdam. Dit leidde tot terugvordering van bijstandskosten en oplegging van een boete.

De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de intrekking en terugvordering betrof, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij wel degelijk woonde op het bij het College bekende adres in Alkmaar.

De Raad oordeelt dat het College onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangetoond waaruit blijkt dat appellant zijn woonstede heeft prijsgegeven. De verklaringen en het onderzoek boden geen sluitend bewijs dat appellant niet meer woonde in Alkmaar. Daarom is het besluit tot intrekking en terugvordering niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met de Awb.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en de eerdere besluiten die hierop berusten, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee komt de intrekking van de bijstand en de daarop gebaseerde terugvordering en boete te vervallen.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, en het College wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

06/3217 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 april 2006, 04/1943 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Heuvel, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving sedert februari 2001 van het College bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant zijn woning aan de [adres 1] te [woonplaats] zou onderverhuren aan Poolse mensen en hij zelf elders zou verblijven, vermoedelijk in Amsterdam, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Sector Sociale Zaken & Werkgelegenheid van de gemeente Alkmaar een nader onderzoek ingesteld naar de feitelijke woonsituatie van appellant. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is op 2 december 2003 de buurman van appellant gehoord en heeft appellant op 12 februari 2004 een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2004.
De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 3 maart 2004 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2004 in te trekken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant vanaf 1 januari 2004, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, woonplaats heeft in Amsterdam. Bij besluit van 8 maart 2004 heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot 1 maart 2004 tot een bedrag van € 1.289,81 van appellant teruggevorderd. Tevens heeft het College bij besluit van 19 maart 2004 aan appellant een boete opgelegd van € 155,--.
Bij besluit van 15 september 2004 heeft het College de tegen de besluiten van 3, 8 en 19 maart 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de verzoeken om een kostenvergoeding afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - het beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 september 2004 vernietigd voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering, op de grond dat de intrekking en de terugvordering berusten op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 15 september 2004 in stand blijven.
Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 september 2004 en het boetebesluit in stand zijn gelaten. Hij stelt zich op het standpunt dat hij ten tijde in geding in [woonplaats] woonde, op het bij het College bekende adres.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat bij het primaire besluit van 3 maart 2004 de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 januari 2004 is ingetrokken en dat het College deze intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij zijn besluit van 15 september 2004 heeft het College deze intrekking per 1 januari 2004 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 januari 2004 tot en met 3 maart 2004.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek recht op bijstand. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 6) volgt uit de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant gedurende de hier van belang zijnde periode geen woonplaats meer had in [woonplaats]. Uit de door appellant op 12 februari 2004 afgelegde verklaring blijkt niet meer dan dat appellant ten tijde in geding gedurende een aantal dagen in Amsterdam is geweest en daar af en toe ook sliep. Enige zekerheid omtrent het aantal dagen dat hij in Amsterdam verbleef valt uit die verklaring niet af te lezen. Van daden waaruit blijkt dat appellant zijn woonstede heeft willen prijsgeven is niet gebleken. In dat licht bezien acht de Raad niet doorslaggevend de op 2 december 2003 afgelegde verklaring van de buurman op het adres [adres 2], dat hij appellant al zeker twee maanden niet heeft gezien en dat er op zijn adres andere mensen zouden verblijven, te meer nu niet blijkt op welke feiten deze laatste mededeling is gestoeld.
De Raad komt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tot de conclusie dat het besluit van 15 september 2004, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand, niet op een deugdelijke motivering berust, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend. Om reden van duidelijkheid en op grond van hetgeen hierna wordt overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen met uitzondering van de veroordeling van het College tot vergoeding van de proceskosten in beroep en het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 september 2004 voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nu de intrekking niet in stand kan blijven, is daarmee de grondslag aan de terugvordering en de boete komen te ontvallen, zodat het besluit van 15 september 2004 ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de besluiten van 3, 8 en 19 maart 2004 te herroepen, nu deze berusten op dezelfde onhoudbare grondslag als het besluit van 15 september 2004.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten in beroep;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 september 2004;
Herroept de besluiten van 3, 8 en 19 maart 2004;
Veroordeelt het College in de kosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Alkmaar;
Bepaalt dat de gemeente Alkmaar aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.