ECLI:NL:CRVB:2007:BB2394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing overneming provisie in kader WW-referentieperiode
Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving provisie over verkochte advertentieruimte boven een maandelijkse target. Na overschrijding van de target in september 2004 werd appellant op non-actief gesteld en ging de werkgever failliet. Appellant verzocht het UWV om overneming van loonbetalingsverplichtingen, waaronder provisie.
Het UWV stelde dat de provisie niet voor overneming in aanmerking kwam omdat het recht op provisie was ontstaan vóór de referentieperiode zoals bedoeld in de WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV.
In hoger beroep betoogde appellant dat niet de datum van het ontstaan van het recht op provisie, maar de datum van betaling daarvan bepalend moest zijn, verwijzend naar artikel 5 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De Raad oordeelde echter dat dit artikel slechts bepaalt wanneer loon wordt geacht te zijn genoten en geen aanleiding geeft tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde dat het recht op provisie is ontstaan vóór de referentieperiode en derhalve niet voor overneming in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat provisie die is ontstaan vóór de referentieperiode niet voor overneming in aanmerking komt.