ECLI:NL:CRVB:2007:BB2721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 juli 2004
Appellant ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het beroep tegen het besluit van het UWV tot voortzetting van de WAO-uitkering per 1 juli 2004 ongegrond verklaarde. De rechtbank had het medische oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van het UWV als zorgvuldig beoordeeld en geen aanleiding gezien dit te betwisten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de uitspraak onvoldoende gemotiveerd was en dat belangrijke medische informatie, waaronder rapporten van een orthopedisch chirurg en een arbeidsdeskundige, niet goed was meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze nieuwe medische gegevens geen aanleiding gaven het eerdere oordeel te wijzigen, aangezien zij geen objectieve gegevens bevatten die de beperkingen op de datum in geschil substantieel aantonen.
Wel erkende de Raad dat de berekening van het maatmanloon door het UWV onjuist was, wat leidt tot een herindeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Daarom vernietigde de Raad het eerdere vonnis voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand waren gelaten en bepaalde zelf dat appellant per 1 juli 2004 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep en de kosten van een medische rapportage die in bezwaar was overgelegd, terwijl de vergoeding van kosten voor een andere rapportage werd afgewezen. Het griffierecht werd eveneens aan appellant vergoed.
Uitkomst: Appellant is per 1 juli 2004 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt verklaard en het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en medische rapportages.