ECLI:NL:CRVB:2007:BB5407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering meerinkomen studiefinanciering en toepassing hardheidsclausule
Appellante maakte bezwaar tegen vorderingen wegens meerinkomen die de IB-Groep had vastgesteld op basis van een forfaitair voordeel uit sparen en beleggen in 2001 en 2002. Dit voordeel werd berekend op respectievelijk € 10.218,- en € 9.668,- terwijl appellante feitelijk lagere inkomsten uit vermogen had. De IB-Groep wees het bezwaar grotendeels af, met uitzondering van een correctie op de betaalde inkomstenbelasting in 2002.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, met uitzondering van een proceskostenvergoeding. Appellante stelde dat de forfaitaire berekening onredelijk was en dat de IB-Groep het recht had verwerkt om vorderingen vast te stellen omdat haar prestatiebeurs was omgezet in een gift.
De Raad oordeelde dat de IB-Groep het toetsingsinkomen correct had berekend volgens artikel 3.17 WSF 2000 en dat de hardheidsclausule niet toegepast kon worden omdat de wetgever een strikte toepassing beoogde. Tevens was appellante niet tijdig met een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule gekomen. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vorderingen wegens meerinkomen en wijst het beroep af.