ECLI:NL:CRVB:2007:BB5563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis door niet-gelijkgestelde vakantieperiodes
Appellant was werkzaam bij een uitzendbureau op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding en heeft in 2004 meerdere weken vakantie genoten, waarvan enkele weken zijn uitbetaald. Na het beëindigen van zijn werkzaamheden op 7 november 2004 vroeg appellant een WW-uitkering aan per 22 november 2004. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant in de 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag slechts 22 weken had gewerkt, waardoor hij niet voldeed aan de wekeneis uit artikel 17 van Pro de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de vakantieweken 46 en 47 niet konden worden gelijkgesteld met gewerkte weken omdat de dienstbetrekking toen was beëindigd. Appellant stelde in hoger beroep dat deze weken ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten. Het UWV wijzigde haar standpunt ten aanzien van weken 36 en 37, maar handhaafde het standpunt voor weken 46 en 47.
De Raad overwoog dat gelijkstelling van niet-gewerkte weken met gewerkte weken alleen mogelijk is binnen de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid voortkomt. Omdat de uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigde op 7 november 2004, bestond de dienstbetrekking in weken 46 en 47 niet meer. Daarom was het juist deze weken niet gelijk te stellen en werd bevestigd dat appellant niet voldeed aan de wekeneis. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens niet voldoen aan de wekeneis.