ECLI:NL:CRVB:2007:BB6578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding ZFW- en AWBZ-premies op WAO-uitkeringen na Verdrag met Marokko
Appellanten, allen in het bezit van een WAO-uitkering en woonachtig in Marokko, maakten bezwaar tegen de inhouding van premies voor de Ziekenfondswet (ZFW) en Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) op hun uitkeringen. Deze inhouding volgde op de inwerkingtreding van een bilateraal verdrag tussen Nederland en Marokko, dat remigranten verplichtte tot premiebetaling ondanks het verblijf in Marokko.
De rechtbank had geoordeeld dat de WAO-uitkering als eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM moet worden beschouwd en dat de inhouding een ontneming van eigendom vormt, maar dat deze niet disproportioneel is. Appellanten stelden in hoger beroep dat de premies een 'excessive burden' vormen omdat de AWBZ-voorzieningen niet of nauwelijks in Marokko beschikbaar zijn.
De Raad overwoog dat appellanten deze stelling onvoldoende onderbouwd hadden en dat het niet aannemelijk is dat geen enkele voorziening in Marokko aanwezig is. Bovendien konden appellanten in Nederland gebruik maken van voorzieningen. De inhouding van premies was conform Nederlandse wetgeving en het bilaterale verdrag en diende een algemeen belang. De Raad vond geen schending van artikel 1 EP Pro of artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 EP Pro en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De inhouding van ZFW- en AWBZ-premies op WAO-uitkeringen van remigranten in Marokko is rechtmatig en niet disproportioneel.