ECLI:NL:CRVB:2007:BB7261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-87 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.21 WSF 2000Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet toekennen aanvullende studiefinancieringsbeurs wegens te late aanvraag

Appellante maakte bezwaar tegen het niet toekennen van een aanvullende studiefinancieringsbeurs over januari tot en met juli 2005. De IB-Groep wees het bezwaar af op grond van artikel 3.21 WSF 2000, omdat studiefinanciering niet wordt toegekend voor perioden vóór de datum van aanvraag.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en vernietigde het besluit, maar verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde anders en achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar omdat appellante wachtte op het definitieve besluit over de hoogte van de beurs.

Inhoudelijk oordeelde de Raad dat het bezwaar terecht ongegrond was verklaard, omdat de aanvraag pas medio 2005 werd gedaan en de studiefinanciering niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Het beroep op de hardheidsclausule en het gelijkheidsbeginsel faalde eveneens. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij de IB-Groep het griffierecht aan appellante moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

07/87 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006, 05/2240 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 2 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 7 september 2007. Appellante is verschenen in tegenwoordigheid van haar stiefvader [naam stiefvader]. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. T. Holtrop.
II. OVERWEGINGEN
Appellante genoot studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en rentedragende lening. Op 29 juli 2005 heeft appellante aan de IB-Groep doorgegeven dat zij een aanvullende beurs wenst te ontvangen. Bij Bericht Studiefinanciering van 6 augustus 2005 heeft de IB-Groep aan appellante gemeld: “Je gaf op 29 juli 2005 een wijziging door in je aanvraag. De gegevens van je ouders zijn nodig voor de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs en de aanvullende prestatiebeurs. Deze gegevens zijn nog niet bekend of nog niet volledig. Zodra dit wel het geval is ontvang je opnieuw een bericht.” Voorts is onder het kopje “wijzigingen” vermeld bij “aanvraag”: “Per
1 augustus 2005: basisbeurs, aanvullende beurs en lening”. Op pagina 2 is achter "Aanvullende beurs" bij de maand augustus 2005 vermeld: € 0,00.
Vervolgens heeft de IB-Groep bij Bericht van 9 september 2005 aangegeven dat de aanvullende beurs is vastgesteld en dat de hoogte van de toelage is veranderd. Uit het op pagina 2 vermelde overzicht van de toelage in 2005 blijkt dat het bedrag van de aanvullende beurs over de maand augustus 2005 op € 287,73 is vastgesteld.
Bij schrijven van 13 oktober 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het bericht van 9 september 2005 wegens het niet toekennen van een aanvullende beurs over de periode van januari tot en met juli 2005.
Bij besluit van 28 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3.21 van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000).
Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van appellante zich richt tegen de in het bericht van 6 augustus 2005 vervatte vaststelling van de ingangsdatum van de aanvullende beurs, in welk bericht is vermeld dat de bezwaartermijn loopt tot 17 september 2005. Nu het bezwaarschrift van appellante is gedateerd op 13 oktober 2005, is het buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de IB-Groep het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, nu haar niet is gebleken van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit dan ook gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Voorts heeft zij zelf in de zaak voorzien door het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat de IB-Groep het griffierecht dient te vergoeden aan appellante.
In hoger beroep heeft appellante (kort samengevat) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu pas bij het bericht van 9 september 2005 de aanvullende beurs is vastgesteld. Bij het bericht van
6 augustus 2005 is aangegeven dat de hoogte van de aanvullende beurs nog niet vaststond en dat hierover nog nader bericht zou volgen. Voorts heeft zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan aangezien haar zusje wel een aanvullende beurs is toegekend per 1 januari 2005. Ten slotte heeft zij verzocht om toepassing van de hardheidsclausule (artikel 11.5 van de WSF 2000) gelet op de bijzondere situatie dat zij pas medio 2005 wist dat zij, in verband met het gewijzigde inkomen van haar vader, in 2005 in aanmerking zou komen voor een aanvullende beurs.
De Raad is van oordeel dat de grief van appellante inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar slaagt en overweegt hiertoe het volgende.
Naar het oordeel van de Raad heeft de IB-Groep bij besluit van 6 augustus 2005 de ingangsdatum van de aanvullende beurs vastgesteld op 1 augustus 2005. Dit besluit noemt onder het kopje “wijzigingen” immers als ingangsdatum van de aanvullende beurs 1 augustus 2005. Het bezwaarschrift van appellante is dus ingediend buiten de in het besluit genoemde bezwaartermijn, die eindigde op 17 september 2005. Echter, de Raad ziet, in tegenstelling tot de rechtbank, aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, aangezien hij van oordeel is dat appellante niet kan worden verweten dat zij heeft gewacht op het (aangekondigde) besluit van de IB-Groep, waarbij de hoogte van de aanvullende beurs is vastgesteld (besluit van 9 september 2005), alvorens bezwaar te maken tegen de toekenning van de aanvullende beurs per 1 augustus 2005.
Vervolgens komt de Raad toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Gelet op het voorgaande gaat de Raad er daarbij vanuit dat bij het bestreden besluit is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2005.
De Raad is van oordeel dat de IB-Groep het bezwaar van appellante terecht ongegrond heeft verklaard, gelet op artikel 3:21, tweede lid van de WSF 2000, waarin is bepaald dat studiefinanciering niet wordt toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. In de omstandigheid dat appellante pas medio 2005 op de hoogte kwam van een wijziging in het inkomen van haar vader, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de IB-Groep toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule, waarbij hij verwijst naar zijn jurisprudentie terzake (uitspraken van 29 maart 2002, LJN AE2333, en van 19 december 2003, LJN AO1580).
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van de Raad evenmin, nu het zusje van appellante anders dan appellante niet pas in de loop van het jaar 2005 haar aanvraag had ingediend.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het door appellante betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 105,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM