ECLI:NL:CRVB:2007:BB8623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde in hoger beroep dat hij door ernstige klachten zoals hoofdpijn, beperkte arm- en kniebewegingen slechts gedeeltelijk kan functioneren en dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist was vastgesteld. Hij voerde aan dat hij ten onrechte niet was opgeroepen voor een medisch spreekuur en dat de indexering van het maatmanloon per 1 januari 2000 had moeten plaatsvinden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken en oordeelt dat het UWV voldoende zorgvuldig dossieronderzoek heeft verricht en dat de medische situatie van appellant tussen 1 januari 1999 en 20 april 2000 stabiel was. De door appellant overgelegde medische informatie betreft latere data en toont geen objectief bewijs van toegenomen beperkingen. De Raad acht het niet onzorgvuldig dat appellant niet persoonlijk is onderzocht.
Het UWV heeft het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55% per 31 december 1999. De Raad verklaart het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard; beroep tegen herzieningsbesluit ongegrond.