ECLI:NL:CRVB:2007:BB9538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3075 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen besluit over beslag op WAO-uitkering

Appellant ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering waarop op 10 november 2006 beslag is gelegd. Het UWV heeft appellant geïnformeerd dat hij vanaf 1 december 2006 een verlaagde uitkering van €760,99 per maand ontvangt. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen concrete gronden van beroep had ingediend.

In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijkheid heeft vastgesteld en wijst op meerdere faxen en stukken die hij heeft ingediend. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt echter dat deze stukken geen verband houden met het bestreden besluit en appellant niet heeft toegelicht waarom hij het niet eens is met het besluit. Ook tijdens de zitting heeft appellant geen samenhang kunnen aangeven.

De Raad bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van concrete en relevante beroepsgronden om ontvankelijkheid te verkrijgen.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard en deze beslissing is bevestigd.

Uitspraak

07/3075 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 mei 2007, 07/147 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
Datum uitspraak: 23 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.J.G. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sedert 25 juli 1994 een WAO-uitkering.
Op deze uitkering is op 10 november 2006 beslag gelegd.
Bij besluit van 14 november 2006 is appellant door het Uwv op de hoogte gebracht van dit beslag en is bepaald dat appellant met ingang van 1 december 2006 een bedrag van € 760,99 per maand zal ontvangen.
Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 17 januari 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat appellant geen gronden van beroep heeft ingediend.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant heeft gewezen op een aantal faxen dat door hem naar de rechtbank is gezonden.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet.
Appellant heeft bij de rechtbank een aanzienlijke hoeveelheid stukken ingediend. Deze stukken hebben betrekking op een groot aantal gebeurtenissen die zich in het leven van appellant hebben voorgedaan. De stukken zien onder meer op een procedure bij de Hoge Raad, procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en correspondentie met advocaten, rechtsbijstandsverzekeraars, gemeenten en vele klachtinstanties. Uit deze stukken blijkt dat appellant van mening is dat hem – kort samengevat – op veel gebied onrecht is aangedaan en dat hij niet met respect is behandeld.
Naar het oordeel van de Raad blijkt uit deze stukken echter op geen enkele wijze waarom appellant het niet eens is met het besluit van 17 januari 2007. De door appellant bij wijze van gronden ingediende stukken hebben geen betrekking op het besluit van 17 januari 2007. Ook heeft appellant – naar uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt – hoewel hem daar uitdrukkelijk om is gevraagd niet aangegeven op welke wijze de door hem ingediende stukken in relatie zijn te brengen met het besluit van 17 januari 2007. Ook ter zitting van de rechtbank heeft appellant niet aangegeven waarom hij het besluit van 17 januari 2007 onjuist acht.
Overigens heeft appellant ook bij de Raad de relatie tussen meerbedoelde stukken en het besluit van 17 januari 2007 niet inzichtelijk gemaakt.
Onder de vorengeschetste omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van appellant tegen het besluit van 17 januari 2007 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2007.
\(get.) J. Brand.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
JL