ECLI:NL:CRVB:2008:BC1968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3558 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering op grond van arbeidskundige beoordeling met CBBS

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het bezwaar van betrokkene tegen een herziening van zijn WAO-uitkering gegrond verklaarde en het bestreden besluit vernietigde vanwege onvoldoende transparantie en toetsbaarheid van de gebruikte arbeidskundige beoordeling met het CBBS.

De rechtbank had geoordeeld dat ondanks aanpassingen in het CBBS niet alle onvolkomenheden waren opgeheven, waardoor het bestreden besluit niet voldeed aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht. Appellant betoogde dat de aanpassingen voldoende waren en dat de beoordeling wel degelijk toetsbaar en inzichtelijk was.

De Raad stelt vast dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en richt zich op de arbeidskundige beoordeling. Uit eerdere uitspraken volgt dat het aangepaste CBBS-systeem aan de gestelde eisen voldoet mits signaleringen adequaat worden toegelicht. De Raad oordeelt dat de rapporten een toereikende basis bieden en dat de herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% terecht is.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda voor zover aangevochten en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

06/3558 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juni 2006, 06/24
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 8 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L.G.C.M. de Wit, advocaat te Oosterhout, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot. Betrokkene is in persoon verschenen. Met hem is meegekomen M. Belek als tolk.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 9 december 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 21 juni 2005 ongegrond verklaard en de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat appellant bij betrokkene niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat de medische grondslag waarop het bestreden besluit berust stand houdt. De rechtbank heeft met betrekking tot de op basis van de vastgestelde medische beperkingen verrichte functieduiding overwogen dat bij de selectie van de functies gebruik is gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De rechtbank is van oordeel dat met de naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716) door appellant in het CBBS verrichte aanpassingen niet alle door de Raad geconstateerde onvolkomenheden die aan het systeem kleven, zijn opgeheven. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de onderhavige schatting een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert. Op grond hiervan heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en voorts is appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan betrokkene.
Het hoger beroep van appellant is gericht op de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beslissingen. Appellant heeft aangevoerd dat met de naar aanleiding van de genoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aangebrachte aanpassingen in het CBBS in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de geconstateerde onvolkomenheden van het systeem en dat daarmee de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk is gemaakt. Ook in het onderhavige geval kan naar de mening van appellant de gehanteerde werkwijze de toets der kritiek doorstaan.
Bij verweerschrift heeft betrokkene te kennen gegeven zich geheel te kunnen verenigen met de overwegingen van de rechtbank.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt eerst vast dat, gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verweerschrift, niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat appellant bij betrokkene niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat de medische grondslag waarop het bestreden besluit berust stand houdt. Voor de arbeidskundige beoordeling moet de Raad dan ook uit gaan van de juistheid van de met betrekking tot betrokkene vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst.
De onderhavige schatting is uitgevoerd met behulp van het CBBS. In de uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY9971) heeft de Raad overwogen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in de uitspraken van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven. Voorts heeft de Raad in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 overwogen dat, met het oog op een voldoende mate van inzichtelijkheid en toetsbaarheid voor justitiabelen, rechtshulpverleners en de rechter van met behulp van het aangepaste CBBS tot stand gekomen arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, er niet aan zal kunnen worden ontkomen dat de door het systeem aangebrachte signaleringen, welke immers erop duiden dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting mogelijkerwijs sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of die punten, alle worden voorzien van een afzonderlijke toelichting waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding (toch) geen sprake is.
Onverminderd de hiervoor weergegeven eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten die zijn totstandgekomen met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in het onderhavige geval terecht door appellant is aangenomen dat de functies die ten grondslag liggen aan de schatting, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van betrokkene te liggen. De arbeidskundige rapporten waarop het bestreden besluit is gebaseerd, bieden, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de Raad een toereikende basis om te voldoen aan de daaraan in de eerder genoemde uitspraken van 12 oktober 2006 gestelde eisen van inzichtelijkheid en verifieerbaarheid.
Vergelijking van het op de datum in geding geldende maatmaninkomen met de verdiensten die betrokkene op die datum met de geduide functies kan verwerven, resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 23,5%, zodat appellant terecht heeft besloten de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 21 juni 2005 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit dient ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M. Gunter.
CVG