ECLI:NL:CRVB:2008:BC3126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste toepassing medewerkingsverplichting
Appellante ontving sinds 1986 bijstand en woonde in de ouderlijke woning van haar vader, die in 2005 overleed. Bij testament was zij uitgesloten van erfgenaamschap, maar zij moest haar wettelijk erfdeel (legitieme portie) opeisen. Het College legde haar op deze portie op te eisen en bewijs daarvan te overleggen. Bij niet-naleving werd haar bijstand opgeschort en ingetrokken.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde dat zij de legitieme portie niet kon opeisen zonder haar woonsituatie te verliezen, omdat zij een niet-marktconforme huur betaalde en anders haar sociale leven en zorg voor graven zou verliezen.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de eis tot opeising te stellen, maar dat het niet nakomen daarvan niet automatisch medewerkingstekort betekent zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 WWB Pro. Het College had de bijstand moeten verlagen in plaats van intrekken. Daarom vernietigde de Raad het besluit tot intrekking en beval het College een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.