ECLI:NL:CRVB:2008:BC5683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WW-rechten bij vervroegde uittreding en mindering VUT-uitkering
Appellant was sinds 1968 bij Koninklijke TPG Post B.V. in dienst en werkte tot 1 oktober 2003 als procesbegeleider. Door reorganisatie verviel zijn functie gedeeltelijk, waarna hij een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week kreeg en voor 17 uur per week gedeeltelijk werd ontslagen. Het UWV kende hem een loongerelateerde WW-uitkering toe op basis van 17 uur per week.
Vanaf 1 februari 2006 stopte appellant met zijn vervangende werkzaamheden van 20 uur per week en ontving een VUT-uitkering. Het UWV beëindigde daarop de WW-uitkering met toepassing van artikel 34 WW Pro, omdat de VUT-uitkering in mindering werd gebracht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant vrijwillig gebruik had gemaakt van de VUT-regeling en niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.
Appellant stelde dat hij wel beschikbaar was en gesolliciteerd had, en dat het UWV onterecht geen nieuw WW-deelrecht had vastgesteld per 1 februari 2006. De Raad oordeelde dat appellant aan de voorwaarden voor werkloosheid en beschikbaarheid voldeed en dat per die datum een nieuw WW-deelrecht ontstond. Het UWV had onjuiste feitenbasis gehanteerd, waardoor het besluit vernietigd moest worden. Het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij artikel 34, derde lid, WW wordt toegepast. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te beëindigen is vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij de VUT-uitkering in mindering wordt gebracht conform artikel 34, derde lid, WW.